Pagina's

vrijdag 7 september 2012

Schelden

Schelden doet geen zeer, slaan des te meer. Dit placht mijn moeder vroeger te zeggen als ik weer eens uitgescholden was en ik me bij haar kwam beklagen. Daar kon je het dan mee doen. Maar ze had wel ongelijk. Schelden kan soms pijnlijker zijn dan slaan.

In de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren bevindt zich, tussen vele andere interessante boeken, een zeer interessant boekwerk: J.J. Mak, Rhetoricaal glossarium.
Voor de website van Neder-L is Bas Jongenelen in dit boek gedoken en heeft daaruit een lijst met Nederlandse scheldwoorden samengesteld. Ook hier. En heeft hij er nog meer artikelen aan gewijd.

Nu ben ik geen liefhebber van schelden. Ik  zal zo weinig mogelijk scheldwoorden gebruiken, maar af en toe ontglipt me er toch een. Hedendaagse scheldwoorden zijn vaak grof. Er wordt met ziektes en edele lichaamsdelen gestrooid alsof het een lieve lust is. Dan waren de scheldwoorden in het Middelnederlands veel grappiger in onze ogen. Misschien waren het in de taal van toen ook grove woorden. Dat is mij niet bekend.

Een woord als ronckaert klinkt toch veel mooier dan snurker. En wat dacht u van een clabotshoot voor een domkop, een clapheylighe voor iemand die vroom is met zijn mond of een coxken voor een meisje dat houdt van opschik om de man te behagen?
Zo staan er nog vele leuke woorden op de site.

In Aurelia van Theodoor Rodenburg (1632) staat een mooi partijtje schelden (vanaf regel 2011).

Pantellus, een herder, heeft de dochter van Lentellus beslaepen en bevrucht. Nu wordt hij hartgrondig uitgescholden door Lentellus. Ook toen al werd kanker gebruikt; weliswaar niet om het iemand toe te wensen. Lentellus vergelijkt hier Pantellus met een kankergezwel.

Het is zeer wel [-gedaen] geraemt . Helaes ! in wat beswaer
Lentellus is ! oij me ! Oij me ! 'k verlies mijn zinnen !
Het gun verlooren is, ick nimmer weer sal vinnen !
Pantellus, duijvel ! droch ! Bedriegert snooden guijt
Eer-rover ! eere-dieff ! Godlosen ! schalck ! schaefuijt
Hertbreeckert ! ziels-vergif ! gij fielt ! gij mensche-nicker !
onwaerdigh ghij gheniet het minst des zons geslicker !
De aerde barst van spijt Waer gij u treeden zet !
baldaedelijck gij bra[-c][kt+]<ec>kt Godts, en de menschens wet,
en breeckt de herten beijd van Vader en van moeder !
als moeder zorgh zij droech, en ick als vaeder hoeder.
om onse dochters eer te houden inde eer.
En gij vervloeckte ziel ! gij slingert d' eere neer !
het gun ons hoogste was, ghij alderlaechste richten
en door u duijvels lust ons' beijder herten druckten
ghij in een droeve pars ! in't alderdroefst Helaes !
'k verwonder dat ick niet ontzin, verdul ! en raes !
Want alles wat ick had is alles nu verlooren !
pantellus, nutter waer't dat gij noijt waert gebooren,
Als dat ghij kancker werdt die menschen herten eet !
Bij d' Hemel dat de ramp, het ongelijck en 't leedt
't Gun gij mijn Huijs aend[e+]<o>edt, aen u sal zijn gewroken !
Vermits ghij hebt V/vermoordt ! Verquist ! vernield ! gebroken !
't gun wesen hadt, en weesen niet weer geven kundt !
't is wonder dat de lucht u longen asem gunt !
En niet een donderslagh u hersenen V/verpletten !
en u als vuijlste fielt voor 'S fieltens spiegel zetten !
Ghij Barabassche slaef ! Areposlijck gespuijs
die bloedtschandt brocht : H/helaes ! in 't eerelijcke huijs !
Gij tijger ! O Griffoen ! gij vuijlste padd' der padden !
Die't zuijvere geslacht zoo eerloos komt bekladden

 
 



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen