In principe hetzelfde als boulimia, enorme eetbuien, maar het eten wordt niet uitgespuugd, of gecompenseerd door extra bewegen. Daardoor heb je bij BED meer last van gewichtstoename dan bij boulimia.
Ik ben er een half jaar voor in therapie geweest, elke maandag één hele dag therapie. Die behandeling bestond uit 4 soorten therapie: cognitieve therapie, bewegingstherapie, creatieve therapie en nog een andere therapie maar ik weet niet meer wat. Dit allemaal in een groep van maximaal 9 personen. Het behandelplan was er niet op gericht om af te vallen maar om een nieuwe leefwijze aan te kweken waardoor je vanzelf wel afviel.
Je leert waarom je eetbuien krijgt. Bij mij was dat een afreageren op een emotie, positief of negatief, dat maakte niet uit. Ook speelde een rol dat ik te lang met iets doorging en dan bleek dat ik geen tijd meer had om fatsoenlijke te koken en dan nam ik maar snacks. En ik kon geen maat houden. Als er in een pak 10 stuks zaten, nam ik geen genoegen met 1 ding, nee, het hele pak moest leeg.
Ik had me voorgenomen me volledig voor het programma in te zetten. Om precies te doen wat ik moest doen. Om het huiswerk te maken, om het eetpatroon aan te passen en om meer te gaan bewegen.
Omdat ik autist ben, (wat ik toen nog niet wist) viel het me gemakkelijk me daaraan te houden. Als men zegt, dat het zo moet, dan moet het ook zo. Daar is dan geen ruimte voor eigen interpretatie. Ik hield me dus strikt aan het behandelplan.
Je moest bijvoorbeeld opschrijven wat je wanneer at. Zelfs al at ik maar één chipje, dan schreef ik dat op. Voor mij was het de kunst de lijst zo klein mogelijk te krijgen met alleen maar de zes eetmomenten per dag.
Ik mocht één keer per week een snaaimoment hebben: chips op zaterdagavond. Als ik daarbuiten toch snaaide, moest ik daar twee bladzijden huiswerk over maken om duidelijkheid te krijgen waarom ik het deed en welke invloed dat had. Om dan maar geen extra huiswerk erover te hoeven maken, ging er dus minder de mond in..
Ik ging ook steeds meer bewegen. Voordat ik aan de behandeling begon, fietste ik alleen maar. Om te beginnen een blokje om, zo'n 300 meter, dan begonnen mijn voeten al op te spelen. Na een half jaar wandelde ik elke dag één uur in flink tempo. Daarnaast ging ik drie keer per week zwemmen. Beginnen met één baantje en dit steeds verder uitbouwen. Op de dagen dat ik niet ging zwemmen, ging ik naar de sportschool. Ook hier weer langzaam opbouwen, totdat mijn work-out zo'n anderhalf uur duurde.
Op zondag deed ik mijn triatlon. Vijf kilometer fietsen naar het zwembad, één uur baantjes trekken, twee kilometer fietsen naar het bos, daar een route van 10 of 14 km wandelen en dan nog weer zes kilometer naar huis fietsen. Ik was er vier uur mee bezig.
De begeleidende psychologen vonden mij maar lastig. Vaak was mij iets niet duidelijk. Ik vond de tekst abstract en ik begreep niet wat ze ermee bedoelden. Als ik dat dan aangaf, las men de tekst nog een keer. Maar dat schoot niet op. Ik wilde uitleg wat er bedoeld werd. Mijn groepsgenoten leken het allemaal wel te begrijpen. Ook stelde ik teveel vragen naar hun zin, vooral waarom iets zo was of gedaan moest worden. Ik denk dan, als ik iets begrijp, kan ik het ook makkelijker doen.
Bij een evaluatiegesprek kreeg ik te horen dat ik niet functioneerde in de groep. Ik zonderde mij te veel af en paste mij niet goed genoeg aan de groep aan. Ik ging bijvoorbeeld tijdens de lunch naar buiten om in een parkje mijn boterham op te eten. De anderen bleven allemaal binnen.
Dat ik geen groepsmens was, was mij al bekend. Maar waarom iedereen toch maar binnen bleef (het was lente en zomer), was mij een raadsel.
Men vond mij dus lastig. Geen psycholoog echter die eraan dacht dat er misschien iets meer aan de hand was. Ruim een jaar later kreeg ik de diagnose autisme (Asperger).
Ondanks dat ik me niet thuis voelde in de groep, heeft de behandeling me wel goed gedaan. In negen maanden ben ik 42 kilo afgevallen. Ik vergelijk dat altijd met 168 pakjes boter. Al die pakjes sleurde ik dan elke dag met me mee.
(wordt vervolgd)