Honderden sollicitatiebrieven kun je tegenwoordig schrijven en nog heb je geen baan. Je mag al blij zijn als je een afwijzing krijgt. Dat is heden ten dage ook niet meer vanzelfsprekend. En mocht het toch gebeuren dat je wel een afwijzingsbrief krijgt, dan ben je verbaasd wanneer het iets meer is dan de gebruikelijke twee standaardzinnen.
Hoe anders was dat in de jaren zestig en zeventig.
Toen ik begon te werken veranderde ik ongeveer elke twee jaar van baan. Na die twee jaar had ik het wel gezien. En dan niet eerst solliciteren en dan de baan opzeggen. Nee, eerst de baan opzeggen en dan ergens anders solliciteren. Je had tijd genoeg om een nieuwe baan te vinden.
Vroeger, sprak de oude vrouw, kreeg je geld als je het bedrijf waar je werkte aan een nieuwe werknemer hielp. Men kon niet genoeg werknemers krijgen en om daar toch in te voorzien was men gaarne bereid om te betalen.
Mijn eerste baantje was in een pension. Maaltijden brengen en licht huishoudelijk werk. De dochter van een vriendin van mijn moeder had daar gewerkt en ging daar weg. Mij werd gevraagd of ik daar wilde werken. Oké.
Het volgende baantje was in een ziekenhuis. Toentertijd belde je gewoon op om te vragen of men nog werk voor je had. Dan werd er een afspraak gemaakt om te komen praten en je had werk.
Daarna in de administratie van een boekhandel. Er stond een advertentie in de krant voor iemand voor halve dagen. Toen ik daar kwam om te praten, zei ik dat ik daar wel wilde komen werken maar dan voor hele dagen. Oké.
Toen kwam een groot kantoor naar mijn woonplaats. Ik schreef een brief om te vragen of ze nog werk voor me hadden. Na het gesprek was ik er de volgende week aan het werk.
Daar beviel het me niet. Ik had een gesprek met de personeels- en de afdelingschef en er werd besloten dat mijn proeftijd verlengd zou worden en ik elk moment kon vertrekken als ik iets nieuws had. Dit was op vrijdag. Op zaterdag stond er een advertentie in de krant voor een vacature als inkoopassistente bij een fabriek. Het leek me wel wat en ik stuurde dat weekend een sollicitatiebrief. Groot was mijn verbazing toen op maandag om half zes de personeelschef van de desbetreffende fabriek bij mij thuis op de stoep stond om te vragen wanneer ik kon komen voor een sollicitatiegesprek. Men had dringend iemand nodig. Op dinsdagmiddag was dan het gesprek. Op woensdag overlegden de personeelschefs van zowel het kantoor als de fabriek met elkaar en op woensdagmiddag kreeg ik te horen dat er besloten was dat ik niet meer terug hoefde te komen omdat ik op donderdagochtend bij die fabriek zou beginnen.
Toen was het inmiddels 1976. Het was gedaan met de hoogconjunctuur. Ik had drie hele jaren bij die fabriek gewerkt, voor mijn doen lang. De fabriek stootte hoe langer hoe meer mensen af. Op een gegeven moment hoorde ik daar ook bij. Ik stond op straat. Voor het eerst van mijn leven had men mij eruit gebonjourd in plaats van dat ík wegging. Ik was werkloos en moest nu echt gaan solliciteren. Het duurde twee maanden voordat ik eindelijk weer een baan had.